Op de Grens in Geo-Info
Op de Grens/OGVC
n het oktobernummer 2008 van het vakblad voor cartografen en landmeters "Geo-Info" verscheen een artikel van onze hand (Aafke de Wijk en Dick Waanders). Hieronder volgt het volledige artikel en de foto's in onversneden vorm. Desondanks blijft het de moeite waard om een exemplaar van het blad zelf te bezitten!

De voorkant van GEO-INFO nr. 10 - 2008
oor de lezer van Geo-Info zal het geen nieuws zijn, maar de gemiddelde Nederlander staat er niet bij stil hoe veel grenzen er zijn.
Waar grenzen zijn, daar is strijd. Dat zou de lijfspreuk van kadastermedewerkers kunnen zijn. Grenzen en
grenstwisten zijn bijna zo oud als de mensheid zelf. Al zal de
afbakening van een stuk grond nauwkeuriger moeten geschieden naarmate
er meer mensen zijn met een belang in of recht op die grond. Grenzen
worden dus in het algemeen steeds strikter bepaald en gehandhaafd. Maar
het kan ook anders.
In 1995 treedt het Akkoord van Schengen in werking. Het akkoord is al
tien jaar eerder getekend en houdt in dat de binnengrenzen van de EEG
als verdwenen worden beschouwd. Er worden geen grenscontroles meer
gehouden in de deelnemende landen, en personen- en goederenverkeer kan
ongehinderd de grens passeren.
De loopbrug over de A1 bij Oldenzaal vormt precies de grens. In de volksmond heet deze grensovergang naar de buurtschap De Poppe.
De landsgrenzen tussen Nederland en Duitsland en Nederland en Belgie
vormen daardoor dus geen enkele barrière meer. Dat heeft naast veel
voordelen ook een aantal nadelen, dat mag duidelijk zijn. Grensbewakers
hebben grotendeels hun functie en hun macht verloren, en velen van hen
zullen nog met verlangen terugdenken aan de tijd dat zij konden bepalen
wie er wel en wie er niet hun land mocht binnengaan.
Uit de groep van voormalige grensbewakers en douanemensen is een deel
van de huidige grenspalenliefhebbers voortgekomen. Want hoe vreemd het
ook klinkt, ze bestaan écht: grenspalenverzamelaars!
Na het verdwijnen van de grens zijn mensen van allerlei pluimage zich
gaan interesseren voor de grens en voor de grensmarkeringen. En vooral
voor de landsgrenzen die Nederland heeft.
In Overijssel is er bijvoorbeeld de Overijsselse Grenspalen
Verzamelaars Club (OGVC). Die naam is eigenlijk als een grapje
begonnen, en de leden van de vereniging wordt dan ook op het hart
gedrukt dat het woord verzamelen niet letterlijk bedoeld is. Het
verzamelen slaat alleen op de herinnering aan een bezocht grensobject,
en het enige dat meegenomen mag worden zijn de gemaakte foto's.
De grenzen in Europa zijn dus verdwenen in de vorige eeuw. Maar niet
werkelijk. Nederland is nog gewoon Nederland, Duitsland is nog gewoon
Duitsland en België is nog steeds België. En ondanks alle verdragen,
akkoorden en overeenkomsten in Europa, bestaan er nog altijd grote
verschillen in bijna alles, zoals bijv.: wetgeving, taal, ruimtelijke
ordening, levensstijl en sfeer.
De landsgrens vormt dus nog altijd op veel fronten een scheidslijn
tussen verschillende culturen, en die verschillen zijn vaak tastbaar
aanwezig als men op de denkbeeldige grenslijn staat of wandelt.
Grenswandelen is een hobby die actief wordt beoefend door veel leden
van de OGVC. Soms individueel, soms met zijn tweeën en soms in
groepsverband. De groep beperkt zich dan tot maximaal twintig personen,
want de daadwerkelijke grenslijn is maar erg smal. Of er in de wet
bepalingen staan over de breedte van de grenslijn is niet bekend. Dat
zouden we eens moeten onderzoeken.

Om deze schuur in Breklenkamp ‘binnenboord’ (Nederland) te houden, zijn er rondom vijf grenspalen (gp 63 t/m 63-IV) geplaatst.
De grenslijn
Hoe weten we waar de grens precies loopt? Is het een kaarsrechte lijn?
Nee, kijkend naar een landkaart zien we dat de grens met Duitsland en
België vaak erg grillig verloopt. En hoe grilliger de grens, des te
interessanter hij is voor de onderzoeker. Sommige leden van de
vereniging nemen hun hobby namelijk serieus en noemen zich
grensonderzoeker.
Aanvankelijk wisten we, net als veel andere Nederlanders, niet wat een
grenspaal was. Vertellend over onze hobby, hoorden we later eens de
vragende opmerking: “Grenspalen, die bestaan toch niet meer?” Men dacht
daarbij ongetwijfeld aan de rood-witte slagbomen die grensovergangen
konden afsluiten. Die zijn inderdaad grotendeels verdwenen, maar nog
niet overal.

De voorheen vervallen grensovergang Gramsbergen-Laar is niet lang geleden opgeknapt. De in ere herstelde rood-witte slagboom dient nu slechts als ornament.
Het speuren naar objecten die met de grens te maken hebben of hadden, behoort tot de taak van een grensonderzoeker. Ook al is dat een zelfbenoemde grensonderzoeker.
De Grenspaal
De grenspaal markeert een grenslijn. Vooral op plaatsen waar die
afwijkt van de rechte lijn. Ook op rechte stukken staan er op gezette
afstanden grenspalen. De grenspalen op de grens van Nederland en
Duitsland waren vóór 1824 inderdaad vaak houten palen. Daarvóór werd de
grens op andere manieren gemarkeerd. Bijvoorbeeld met een alleenstaande
boom, een heuvel, een rivier of een hoogteverschil in het land.
In 1824 zijn de houten palen vervangen door zandstenen exemplaren en
werden het dus grensstenen. Op topografische kaarten zien we dan ook
zowel de afkorting Gp als Gs staan.
De grens met België wordt echter hoofdzakelijk gemarkeerd met
welgevormde ijzeren grenspalen.

Ook de grensovergang Rekken-Oldenkott is recentelijk fraai opgeknapt. Het wapen op gp 828 is dat van de provincie Gelderland.
De afbraak
Iets wat velen met zorg vervult is de afbraak van de grens. Dat
controleposten bij grensovergangen verdwijnen is onvermijdelijk, maar
dat eeuwenoude grensstenen in verval raken en zelfs spoorloos
verdwijnen, doet de ware grenspalenliefhebber verdriet.
Op hulp en begrip van het Nederlandse Kadaster hoeft hij daarbij niet
te rekenen. De huidige - verzelfstandigde - instantie weet weinig tot
niets af van de grote serie rijksgrensstenen - waarvan een aantal zelfs
de monumentenstatus heeft - en wil er ook niets van weten.
Op het punt van zorg en onderhoud doet het Duitse Kadaster het beter.
Alle aandacht die de grenspalen van rijkswege genieten, komt van de
Duitse overheid. Dat heeft als nadeel dat Nederland de grip op de
grensmarkeringen dreigt te verliezen. Hoe vervelend dat kan zijn toont
het verdwijnen van de oudste rijksgrenssteen aan.

De inmiddels verdwenen oudste rijksgrenssteen van Nederland, nummer 20.
N staat voor Nederland.
De charme
Gevraagd naar de charme van een buitenissige hobby als grenspalen, kan
het antwoord luiden dat de ogenschijnlijk dode voorwerpen gaan leven
als je je er in gaat verdiepen.
Er zijn zelfs theorieën die beweren dat álles in de natuur, maar ook
datgene dat door mensenhand is geschapen, een vorm van bewustzijn heeft
en op een of andere wijze kan communiceren.
En hoe ongeloofwaardig het misschien ook klinkt, van dat laatste hebben
we in 2007 zelf het bewijs mogen ervaren.
De “roepende” grenssteen
We zijn op pad langs de grens in het Dal van de Mosbeek, nabij de
plaatsjes Vasse en Mander. Vanaf de Galgenberg hebben we alle
grenspalen bekeken, en zojuist zijn we ook twee forse grafheuvels
gepasseerd. Via de Duitse kant van de grens zijn we op weg naar de
grensovergang Mander-Getelo. Ineens schiet me te binnen dat er ook nog
een granieten substeentje is met het nummer 86-I. Die zou ik bijna
vergeten. Op de terugweg komen we hier waarschijnlijk niet weer langs,
dus laten we hem nu maar even gaan opzoeken. Ik weet nog dat er geen
paadje langs loopt, dus moeten we even door het bos. Er loopt hier net
een tijdelijk pad dat gebruikt is voor snoei- en kapwerkzaamheden, en
daar ga ik in.
Vanwege het pad gaat het lopen makkelijk. Ik richt mijn blik in de
verte, want we moeten nog een eindje voor we op de plek van de steen
zijn. Ik kijk niet op of om, en de andere clubleden volgen mij in vol
vertrouwen.
Dan gebeurt het. Halverwege een pas draai ik op één been 45 graden naar
rechts en zeg op hetzelfde moment: “Dáár staat hij!”
De andere leden zijn net zo verbaasd over die resolute draai als ik.
Want de steen staat inderdaad aan mijn rechterhand en ik heb níet in
die richting gekeken!
Als ik erover nadenk, kom ik tot de conclusie dat mijn aandacht ineens
naar die kant getrokken werd en dat een of andere mysterieuze,
onzichtbare hand mij een kwart slag omdraaide. Zo voelde het. En daar
komt nog bij dat ik ook meteen wist dat gp 86-I daar stond, nog vóór ik
hem gezien had!
Ik kan het niet anders duiden dan dat er hier een vorm van communicatie
heeft plaatsgevonden. Zij het wel een heel mysterieuze!

De “roepende” Gp 86-I in het Dal van de Mosbeek bij Mander.
Soorten, maten en inscripties
Iets wat de grenspalenhobby zo boeiend maakt, is het grote aantal
verschillende typen op de Nederlands-Duitse grens. Het aantal komt wel
boven de 30 uit.
Grenspalen zijn te vergelijken met paddestoelen: je ziet alleen het
gedeelte dat boven de grond uitsteekt. Sommige ogenschijnlijk kleine
steentjes kunnen wel flink hoge exemplaren zijn doordat ze diep in de
grond zitten. Vooral drassige veengronden zorgen nogal eens voor
onvindbare stenen, die dan helemaal weggezonken zijn.
Andersom komt ook een enkele keer voor, een steen is dan uitgegraven
omdat hij in de weg stond, verplaatst naar bijvoorbeeld de rand van een
weiland, en daar plompverloren neergezet.
Interessanter nog zijn de verschillende inscripties op de stenen. Vaak
beperkt dat zich tot een N voor Nederland of een O voor Overijssel en
aan de Duitse kant een H voor Hannover of een P voor Pruisen. Het
boeiendst zijn de wapenstenen, waar een wapen in gegraveerd is.

Gp 844-B, enige wapensteen in de Gemeente Enschede. M staat voor Münster. De steen heeft aan de Duitse zijde het jaartal 1756 en aan de Nederlandse 1755.
Drielandenpunten
Vaals in Limburg heeft het beroemde Drielandenpunt. Er zijn echter meer
drielandenpunten, Overijssel heeft er bijvoorbeeld twee tot vier
(afhankelijk van de definitie van 'land'). De voor de liefhebbers
mooiste grenssteen van heel Nederland staat op een ongelukkige plek pal
achter de vangrail langs een drukke Duitse weg waar het verkeer met 100
km/h langsraast. De driekantige steen is de zg. Drilandsteen, die naar
de twee Duitse koninkrijken Hannover en Pruisen en het koninkrijk der
Nederlanden verwijst.
Deze steen is tevens het einde van de serie grenspalen waarvan nummer 1
begint in Schengen en hier eindigt met nr. 862. Tegelijkertijd begin
hier een nieuwe serie, beginnend met 1. Vandaar dat deze steen twee
nummers heeft.

De unieke driekantige Drilandsteen 862.1 verbindt thans Nederland met de twee Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen.

Dichter konden de Duitsers de regionale weg Gronau-Nordhorn niet tegen Nederland aan leggen.
Het gevaarlijke veen
Veengebieden – waar Oost- en Noord-Nederland rijk aan zijn – zorgen
vaak voor verrassingen. Niet in de laatste plaats doordat het
gevaarlijk kan zijn om zich buiten de aangegeven paden te begeven. Daar
kunnen enkele hachelijke voorvallen van getuigen.
Maar eerst iets over de grensstenen 844 en 845 in het Aamsveen bij
Enschede. De gemeente Enschede heeft trouwens een fors stuk rijksgrens,
en derhalve ook veel grenspalen op haar grondgebied.
Van grensstenen 844 en 845 zijn er maar liefst 38 in totaal! En ze
stonden ooit allemaal in het grensoverschrijdend veengebied Het
Aamsveen. Zoals met alles, zijn ook veengebieden sterk gecultiveerd en
geminimaliseerd, dus is er nog maar een relatief klein stukje van het
oerveen overgebleven.
Hoe kan het dat er van twee nummers 38 stenen zijn? Doordat er tussen
de héle nummers substenen staan. Vaak zijn die van betrekkelijk nieuwe
leeftijd en van graniet. Maar dat is hier niet het geval. De 844 en
845-stenen zijn bijna allemaal van authentiek Bentheimer zandsteen. En
de subnummering geschiedt middels het toevoegen van letters van het
alfabet. Zo is er de serie 844-A tot en met 844-P en de serie 845 tot
en met 845-Y.
Verder noordelijk worden substenen aangeduid met een toevoeging in Romeinse cijfers.
Sommige 845-stenen zijn erg opvallend, doordat er omheen een
metersdikke laag veen is afgegraven. Daardoor zijn de sokkels komen
bloot te liggen, en vormt het geheel een indrukwekkende aanblik.

Gp 845-A in het Aamsveen is indrukwekkend door zijn enorme sokkel.
“De Landmeter”
De rijksgrenzen zijn vaak een inspiratiebron van kunstenaars. Eén
voorbeeld kunnen we in dit verband noemen. In het najaar van 2006 is
het kunstwerk “De Landmeter” van Paul Reinerink geplaatst aan de oever
van het riviertje de Dinkel, nabij Losser:
“De Landmeter is een kunstwerk waarmee een landmeetinstrument
uitgebeeld wordt. Het is een combinatie van staanders van Gildehauser
zandsteen met gesmeed ijzer. Er is gekozen voor dit ontwerp vanwege de
in de nabijheid gelegen verzekeringsstenen. In de directe omgeving
liggen vier van deze zogeheten verzekeringsstenen. Deze stenen dienden
in het verleden als vaste punten ten behoeve van het bepalen van de
landsgrens. Vroeger bevonden zich aan beide zijden van de landsgrens
twee van dit soort stenen. Vanwege grenscorrecties liggen alle vier
stenen nu op Nederlands grondgebied. Uit het oogpunt van
cultuurhistorie is dit een interessant gegeven. Met het ontwerp wordt
bewust gekozen om het eigene van de plek te benadrukken.”

Het kunstwerk “De Landmeter” staat gericht op de achter de Dinkel lopende grens. Het onderstel wordt gevormd door “Dinkelsteen nr. XIV”
De Verzekeringsstenen
De vier ongenummerde stenen staan niet op de grens, ze staan alle vier
op Nederlands grondgebied. Op de kadastrale kaart van 1832, de oudste
en meest gedetailleerde kaart die ik tot mijn beschikking heb, kun je
zien dat de rivier en de grens over een lengte van enkele tientallen
meters samenvallen. Daar staan aan weerszijden op de oever de stenen 8
t/m 11. Deze situatie is ook beschreven in het grenstraktaat van Meppen
uit 1824. Hierin staat dat “de Dinckel, ter lengte van zevenendertig
ellen, zeven palmen of tien rijnlandse roeden (± 34 meter)
gemeenschappelijk blijft en de dalweg of het midden derzelven aldaar de
grensscheiding maakt”.

Musea
Er zijn diverse musea in Nederland en Duitsland die aan de grens en de
grenspaal aandacht besteden. De meeste staan aan de rand van het land,
zoals in Dinxperlo, Overdinkel en Gronau (D), maar het Belasting- en
Douanemuseum in Rotterdam heeft ook aandacht voor Kadaster en een
enkele grenspaal.
Oudste grenssteen
De oudste rijksgrenssteen van Nederland is nummer 20, en hij wordt
gedateerd rond 1480.
Vele eeuwen heeft hij dus weer en wind, oorlog en twist getrotseerd,
maar in de maand augustus van het jaar 2007 is hij op mysterieuze wijze
van zijn plek verdwenen.
Voor de oppervlakkige voorbijganger was het misschien een onooglijk
geval. Zijn vorm deed meer denken aan een klein huisje met een zadeldak
dan aan een grenspaal. Met zijn zichtbare hoogte van krap een halve
meter kwam hij soms maar nauwelijks boven het gras uit. Zijn
standplaats op de hoek van een landweggetje tegenover een uitrit van
een zandafgraving was niet erg fraai en moeilijk te vinden bovendien.
Steen 20 is enig in zijn soort. Aan beide zijden van zijn “dak” is het
wapen van Bentheim afgebeeld: een schild met 19 penningen. Het is
ongebruikelijk dat hetzelfde wapen aan twee kanten van een grenssteen
voorkomt. Dit zou er op kunnen wijzen dat het gebied aan weerszijden
van de steen in bezit was van de graaf van Bentheim, hier is echter
niets over bekend. Staatsrechtelijk behoorde het gebied ten westen van
de steen tot het Oversticht dus was het niet vreemd dat er een
grenssteen geplaatst werd. Waarschijnlijker is het dat het gebied van
de Graaf van Bentheim niet grensoverschrijdend was en dat de steen werd
geplaatst ter afbakening van zijn eigen domein. Pas later is de steen
gebruikt als grenssteen. Hij komt voor het eerst voor in het
grenstraktaat van Meppen uit 1824. Dan wordt er de N van Nederland en
de H van Hannover ingebeiteld. Bentheim maakte in die tijd deel uit van
het koninkrijk Hannover.Er is nergens op schrift gesteld wanneer de steen geplaatst is. Toch
wordt aangenomen dat hij van voor 1500 is. Deze datering is
voornamelijk gebaseerd op de manier waarop de wapens zijn afgebeeld.
Het wapen van Bentheim bestaat uit een schild met 19 penningen in zes
rijen waarbij de eerste en laatste penning van rij twee is gehalveerd.
Afbeeldingen van het wapen van voor 1500 laten echter een schild met 19
hele penningen zien. De beide wapens op steen 20, aan de Duitse kant in
diep reliëf, aan de Nederlandse kant in hoog reliëf, hebben duidelijk
19 hele penningen.
Zo'n bijzondere oude steen zou een warm plekje in het hart van
Monumentenzorg moeten hebben gehad, evenals van de gemeentes Losser en
Bad Bentheim die de dagelijkse zorg voor dit rijksmonument hadden.
Vijfhonderd jaar weer, wind, oorlog en twist heeft de steen doorstaan
maar was hij ook tegen het hedendaagse vrachtverkeer bestand? We
vreesden van niet.
In 2005 zagen wij al dat hij ernstig beschadigd was. Een melding bij
Monumentenzorg haalde niets uit. In 2007 was de situatie ter plaatse
niet meer verantwoord. Vrachtwagens en landbouwvoertuigen passeerden de
steen rakelings als ze de bocht afsneden. Diepe sporen vlak naast de
steen waren het bewijs. Het was nog maar een kwestie van tijd tot het
goed mis zou gaan. Leden van de OGVC schreven de verantwoordelijke
instanties aan en benaderden invloedrijke personen aan weerszijden van
de grens om aandacht te vragen voor de steen.
Op 4 augustus 2007 waren we er voor het laatst en op 20 augustus was de
steen plotseling verdwenen. De politie en Gemeente Losser wisten van
niets. De eigenaar van de zandafgraving had ook geen idee waar de steen
gebleven kon zijn. Er werd gevreesd dat de steen vernield was door een
vrachtwagen, of gestolen door een liefhebber van curiosa. Het ongeloof
en de boosheid waren groot.
Dick Taat stelde een persbericht op en dat werd opgepikt door de pers,
lokaal en nationaal. Dick Taat werd telefonisch ondervraagd door de
NCRV en de VPRO radio. Na ruim een week kwam het verlossende bericht:
de steen is zonder overleg met buurgemeente Losser door de Duitse
gemeente Bad Bentheim "sichergestellt" omdat hij acuut gevaar liep. Men
had niet verwacht dat iemand hem zou missen!
De steen lag, en ligt nog steeds, op de gemeentewerf in Bad Bentheim.
Het was niet echt makkelijk geweest om hem uit de grond te halen: hij
bleek 1,80 m. hoog te zijn. Helaas kunnen we dat niet met eigen ogen
zien, bezoekers zijn er niet welkom!
Tot op heden is nog niet bekend wat er met steen 20 gaat gebeuren. De
situatie rond zijn standplaats is nog niet verbeterd, het is dus maar
de vraag of hij ooit weer op zijn oorspronkelijke plek zal terugkeren.

De Duitse zijde van gp 20. H=Hannover.
Nummer 100
Tussen steen 99 bij Bruinehaar en 103 bij Balderhaar volgt de grens een
kaarsrechte lijn. Precies op de grenslijn ligt een brede sloot en langs
die sloot zochten we steen 100. Op de een of andere manier hadden we
daar hoge verwachtingen van, een steen met zo’n mooi rond getal zou
volgens ons een bijzonder exemplaar moeten zijn. Lopend in
tegengestelde richting vonden we achtereenvolgens de substeentjes
100-III, -II en -1 en na lang ploeteren door de hoge begroeiing langs
de sloot bereikten we steen 99-II. Vreemd. Aan de overkant van de sloot
zagen we onderweg wel iets dat een beetje op een betonblok leek. Op de
terugweg gingen we voor de zekerheid even kijken. Voor het stenen blok,
waarschijnlijk een sokkel, omringd door brokstukken en half begraven
onder snoeihout troffen we een piepklein piketpaaltje met een
nummerbordje: nummer 100.
Thuis ging ik op zoek naar meer informatie over steen 100 en die vond
ik op de website van de Historiekamer van Hardenberg in oude ambtelijke
brieven.
Op 26 september 1871 werd tijdens een grensschouwing geconstateerd dat
steen 100 omver lag. De steen stond destijds op een houten onderstel in
de sloot die ook toen al de grens vormde. Onverlaten hadden het houten
onderstel in brand gestoken. Waarschijnlijk was de dader het niet eens
met de plaats waar de sloot was gegraven maar de dader is nooit gepakt,
dus het blijft raden. De Commissaris des Konings werd op de hoogte
gebracht en die besloot dat de steen zo snel mogelijk weer opgericht
moest worden. In de winter was het echter onmogelijk om de steen te
bereiken omdat het hele gebied bestond uit zompig veen. Pas in mei van
het jaar erna was de klus geklaard. De kosten, 18 gulden, werden
gebroederlijk verdeeld over de twee buurlanden.
Je zou haast denken dat grenssteen 100 nog steeds vijanden heeft maar
tegenwoordig lijken de autoriteiten zich er bij neer te leggen dat
stenen verdwijnen of worden vernield.

Een roestig piketpaaltje met eromheen gevouwen een nummerplaatje vormt thans grenspaal 100. Brokstukken van de originele steen en sokkel liggen er achter.

Close-up van nr. 100.
Een kort overzicht van de geschiedenis van de grenspalen.
De grens tussen Overijssel en Duitsland kan het beste in twee delen bekeken worden.
1. De grens met het graafschap Bentheim: van de tegenwoordige nummer 1 (de
Drilandsteen) in noordelijke richting tot de grens met de provincie Drenthe.
In 1548 werd op initiatief van Keizer Karel V in Frenswegen een groot
aantal grensgeschillen beslecht. De grens werd beschreven en er werden
grenspalen geplaatst. Deze palen werden aan de ene zijde voorzien van
het wapen van Bentheim en aan de andere zijde met het Bourgondische
kruis, dit is het wapen dat Karel V voerde. Van deze serie stenen zijn
er nog 4 in gebruik: steen 5 en 6 bij Losser, steen 103 bij Balderhaar
en steen 117 in Radewijk. Steen 22 uit deze serie is te bezichtigen in
Bad Bentheim.
In 1618 werden waarschijnlijk de stenen 16 en 18 geplaatst. Steen 16
staat op de voormalige plek van de Twentse galg.
Na het grenstraktaat van 1659 werden steen 1, 3 en 23 geplaatst en werd
het jaartal 1659 gebeiteld in de stenen 16 en 18.
In het traktaat van Meppen uit 1824, het Graafschap Bentheim was
inmiddels ingelijfd in het koninkrijk Hannover, werd de grens opnieuw
vastgesteld. Er werd bepaald dat de hele grens voorzien moest worden
van hoofd- en tussenstenen. Er werd nauwkeurig beschreven hoe die
stenen er moesten uitzien. De hoofdstenen staken ongeveer 1,40 m boven de grond uit, de tussenstenen waren 0,75 m.
De hoofdstenen kregen het jaartal 1824 met aan de Nederlandse kant een
N en aan de Hannoverse kant een H en een volgnummer. In latere jaren
werden er soms hulpsteentjes tussen geplaatst van ongeveer 30 cm lang.
Een van de laatste grenscorrecties vond plaats in 1974.
2. De grens met het bisdom Munster: van de grens met Gelderland tot aan
de Drilandsteen.
De grens met Munster is later vastgesteld dan die met Bentheim. In 1696
werden houten palen geplaatst met de nummers 1 t/m 87. Nummer 1 stond
op de grens met Gelderland en nummer 87 bij de Drilandsteen.
Na anderhalve eeuw schermutselingen tussen het Gelderse Rekken en het
Overijsselse Haaksbergen om het Twistveen, werd in 1773 de zogenaamde
Jurisdictiepaal geplaatst. Een aantal houten palen werd vervangen door
stenen exemplaren. Slechts één uit die serie bestaat nog: nummer 80 in
het Tiekerveen (tegenwoordig nummer 853).
Na het Weense Congres in 1815 werd Munster ingelijfd bij Pruisen en in
1817 werd het grenstraktaat van Kleef afgesloten. Er werden nieuwe
houten palen geplaatst met een lengte van 2,50 m, ca. 20 cm breed en
met een spitse kop.
Volgens een protocol werd in 1824 een nieuwe nummering ingesteld die
nog steeds geldt: nummer 1 is op de grens van Frankrijk en Luxemburg,
nummer 193 is op het drielandenpunt in Vaals, nummer 832 is het nieuwe
nummer van de Jurisdictiepaal en nr 862 is bij het drielandenpunt
Hannover-Pruisen-Nederland (voorheen Bentheim-Münster-Nederland). Van
daar begint de nummering weer bij 1.
In 1824 werden alle houten grenspalen vervangen door stenen exemplaren.
Deze stenen verschillen erg van vorm omdat elke grensgemeente zijn
eigen ontwerp mocht maken. Bij Losser werd het oorspronkelijke ontwerp
van de houten palen toegepast op de stenen exemplaren. Ook werd op deze
stenen nog de oude nummering aangebracht. Zo heeft steen 853
bijvoorbeeld ook het nummer 81 uit 1796. De Drilandsteen heeft zelfs 3
nummers: No. 1 uit het grenstraktaat van 1659, no. 87 uit de nummering
van de houten palen van 1696, en no. 862 uit 1824.

Een markering in de straat zoals men die voornamelijk in het zuiden van Nederland aantreft. De (letterlijk en figuurlijk) in de weg staande steen 828-A bij de grensovergang Rekken-Oldenkott is vervangen door een metalen plaat in het wegdek.
Alle foto's zijn gemaakt door Dick Waanders.
Op de Grens/OGVC
|