Rinse stroop uit de Voerstreek
Grenspaal no. 19.
Het tweetalige bordje staat in de Voerstreek. De tekst Artisanale Stroopstokerij betekent, dat hier een ambachtelijk productieproces gevolgd wordt en ‘sanas’ betekent tevens dat het product gezond is. Het woord ‘artinana’ is vanuit het Frans in de Voerstreek en later in het Nederlands terechtgekomen. Via het Italiaanse ‘artigiano’ gaat het op het Latijnse ‘artitus’ terug, dat ‘doorkneed in de kunst of techniek’ betekent.
Sinds 1962 behoort de Voerstreek tot de Belgische provincie Limburg, maar de tekst Fourons Wallons (de Voerstreek Waals), geeft duidelijk te kennen dat niet alle bewoners het hiermee eens zijn.
De ambachtelijke stroopmaker gebruikt voor een rins mengsel 45 kg boskoopappels en 55 kg peren. Er komt geen suikerbiet aan te pas. Zou hij bij zijn mengsel meer dan 45% appels gebruiken dan kan de stroop aanbranden. Gebruikt hij minder dan 45% appels dan wordt de stroop minder rins.
Naargelang de artisanale stroopstoker meer peren aan het kroet toevoegt, wordt het eindproduct zoeter. Industriële stroopfabrieken gebruiken bij voorkeur suikerbieten of beetwortelsap. In Duitsland laat men soms stroop bewust aanbranden en spreekt men over karamelliseren.
In een grote koperen ketel wordt 600 kg kroet (fruitmengsel) aan de kook gebracht. Ambachtelijke stroop maken is geen lucratieve bezigheid, want van 600 kg kroet, blijft slechts 78 kg stroop over. Het stroopstoken heeft hier een lang verleden. Het is bekend dat reeds in de middeleeuwen kastelen en kloosters over boomgaarden beschikten. Omdat het in die tijd moeilijk was om fruit te conserveren, werd er stroop gestookt. Door de grote reductie (bruto 100 kg = netto 13 kg) wordt het fructosegehalte zo hoog, dat de troop niet bederven kan. Stroop wordt in Limburg ook krütje, kraut, zeem en sjroep genoemd. Hans Hermans |